WE HEBBEN EEN BERG VERZET

Jan Goossens

“de artistieke praktijk moet een reis zijn die ons in staat stelt onszelf bloot te geven en de ander te ontmoeten, in kracht en kwetsbaarheid”

Het zijn 15 wonderlijke jaren geweest. Het waren er zelfs iets meer. Nooit had ik me verwacht aan zo een lange, spannende rit, toen ik op 1 september 1999 samen met Danny Op de Beeck de Bottelarij in Molenbeek binnenstapte. Evenmin had ik er zelfs maar één jaar van willen missen. Het gebeurt zelden: meer dan anderhalf decennium plezier en opwinding in een job. Eerder dan de plek waar ik werkte, was KVS mijn ware Brusselse thuis waar ik mocht investeren in urgente artistieke uitwisselingen, in een stad die me zeer nauw aan het hart ligt. Samen met een fantastische ploeg medewerkers ook, met wie het geregeld dolle pret was. Daar ligt ongetwijfeld een deel van de kracht van wat we hier opbouwden: een in alle geledingen van het huis gedeeld verlangen om van KVS een echt stadstheater te maken, verbonden met de wereld. Wanneer iedereen aan hetzelfde zeel trekt, dan verandert het ‘instituut’ in het tegendeel van de karikatuur die er vaak van wordt gemaakt: het is dan een dynamisch, betrokken en slagkrachtig instrument. Dat is waar we iedere dag naar streefden. Ik ben alle gedreven KVSmedewerkers die er door de jaren heen toe bijdroegen, bijzonder dankbaar. Daarnaast past ook een woord van dank aan alle Brusselse collega’s met wie het fijn samenwerken was, aan de subsidiërende overheden en aan de raad van bestuur van KVS.

Samen hebben we de voorbije 15 jaren een berg verzet. Van Vlaams repertoiregezelschap werd KVS een stadstheater, gedragen door Brussel, met een impact op het Vlaamse theaterlandschap, met tentakels op vele continenten. Tot 2000 waren de pijlers van KVS: een centrale intendant, een vast gezelschap en tekstrepertoire. Vandaag zijn die pijlers : de diverse stad, heel uiteenlopende podiumpraktijken, radicaal verschillende materialen waaruit voorstellingen ontstaan. Daarin vind ik de grootste voldoening : dat het DNA van dit huis voorgoed veranderd is. Het is uitstekend dat er na 15 jaren ruimte voor een nieuwe artistieke invulling komt. Maar het lijdt geen twijfel dat die zich zal afspelen binnen een kader dat stedelijk, meertalig en interdisciplinair is. De tijd dat KVS geen wortels in Brussel had, in dienst stond van het parcours van één regisseur, en opgesloten zat in een enge visie op repertoiretheater, die tijd komt nooit meer terug. Coproductie met de stad, decentraliseren in de stad en de wereld, métissage op de bühne en in de zaal : ik durf zeggen dat weinigen zich nog een KVS kunnen voorstellen waarin dat niet tot de orde van de dag behoort. Ik durf zelfs zeggen dat de impact van ons project het huis KVS overstijgt: geen enkel Vlaams stadstheater kan zich vandaag nog loszingen van zijn lokale context. Vanuit KVS verdient Molenbeek daarbij een bijzonder woord van dank: het was daar dat de formidabele realiteit van Brussel zich in al haar heftigheid aan ons opdrong, het was daar dat KVS vervelde tot stadstheater. Ook aan de samenwerkingen met Congo en Palestina - regio’s waarmee Brussel intens verbonden is - heeft KVS veel te danken: ze verplichtten het huis zich eindelijk te verhouden tot de wereld en een mondiale rol te spelen als stuwende kracht achter noord-zuidtrajecten waarvan de voorbeeldfunctie vooral buiten Vlaanderen werd opgemerkt.

Niets van dat alles is theorie of een kwestie van thema’s die ver stonden van artistieke praktijken. Ook al was het nooit onze keuze om één artiest of één gezelschap het gezicht van dit huis te laten zijn, de transformatie van KVS werd zichtbaar en tastbaar in signatuurproducties en -trajecten die altijd lange levens leidden en uiterst diverse publieken bereikten. Ze kwamen niet uit de kokers van dramaturgen of artistiek leiders, maar waren het resultaat van open artistieke dialogen waarin artiesten vaak het eerste en altijd het laatste woord hadden. Ze werden echter permanent gevoed vanuit een stedelijk en kosmopolitisch kader dat diende als speelse toetssteen, niet als scherpe guillotine. Werken in en met de stad werd een evidentie dankzij Gembloux en S.T.O.E.M.P. Het bleef het dankzij Bezette Stad/Ville Occupée, de trajecten met jonge maker Gökhan Girginol, of met Guy Dermul rond armoede, de samenwerkingen met de Congolese diaspora voor Congolisation, of met een jonge generatie Brusselaars in System_D, en uiteraard via het pionierswerk van Willy Thomas tijdens Tok Toc Knock. Vlaamse repertoireteksten werden afgestoft of op de kaart gezet met Het leven en de werken van Leopold II van Hugo Claus, Missie van David Van Reybrouck en Revue Ravage van Tom Lanoye. De structurele samenwerking met Théâtre National onder de noemers Toernee General en Toernee Capital was 15 jaren geleden ondenkbaar, terwijl het nu even ondenkbaar is dat ze zou verdwijnen. Bruno Vanden Broecke, Josse De Pauw, en Raven Ruëll zorgen ondertussen voor volle zalen in Franstalig België, Fabrice Murgia en Raoul Collectif zijn ingeburgerd in Vlaanderen. Voor de dans van Vandekeybus, Peeping Tom en Lisbeth Gruwez bouwde KVS enorme en unieke publieken op. Internationale producties zoals Coup Fatal van Alain Platel en Fabrizio Cassol, Badke van Hildegard De Vuyst, Koen Augustijnen en Rosalba Torres Guerrero, en Macbeth van Brett Bailey reizen al jaren de wereld rond. Ze werden referenties die de artistieke métissage van onze noord-zuidtrajecten concreet maakten. Last but not least investeerden we de jongste jaren intens in een nieuwe generatie van jonge, Brusselse makers. Domo de Europa Historio en Ekzilo, Infini of Robin Hassan Hood maakten duidelijk dat Thomas Bellinck, Jozef Wouters en Gökhan Girginol in de toekomst een sleutelrol zullen spelen. Kortom, de contouren van KVS in de 21ste eeuw hebben zich onomkeerbaar gemanifesteerd vanuit de programmering – intens Brussels, meertalig en interdisciplinair, tegelijk toekomstgericht Vlaams. In dialoog met de wereld en heel betrokken bij de volgende generaties van artiesten.

Het belang van wat er de voorbije 15 jaren gebeurde, schuilt niet alleen in artistieke resultaten. Het is een keuze geweest om van KVS zowel een platform als een motor in bredere stedelijke en maatschappelijke debatten te maken. Het devies ‘schoenmaker blijf bij uw leest’ gebruiken we in de culturele sector te vaak om ons angstig maatschappelijk zwijgen te legitimeren. Het wordt ondertussen ook tegen ons gebruikt om ons het zwijgen op te leggen. Het meest in het oog sprongen allicht de avond dat we gastheer waren voor Niet in onze naam, waar artiesten opriepen tot een open, solidaire samenleving, en onze beslissing om de banden met de krant De Morgen door te knippen, na racistische uitschuivers. De kritiek en verwijten uit mainstream politieke en mediatieke hoek waren luidruchtig en talrijk, de minder gemediatiseerde steun van bezoekers en Brusselaars was massaal. Er is duidelijk nood aan stemmen die durven in te gaan tegen de zogenaamd nieuwe maatschappelijke grondstroom. Cultuurhuizen kunnen voor die stemmen zeldzame vrijplaatsen zijn. 

KVS is financieel weer kerngezond. Dat was allesbehalve een sinecure, gezien we in 2001 aan de rit begonnen met een gecumuleerd verlies van bijna 2 miljoen euro. Ondanks het feit dat we het aantal keren dat diverse overheden op hun engagementen terugkwamen niet op twee handen kunnen tellen, staan de rekeningen niet langer in het rood. Zakelijk leider Danny Op de Beeck moest al die jaren diverse strategieën combineren : uiterst nauwgezet toekijken op de uitgaven, de eigen inkomsten diversifiëren en meer dan verdrievoudigen, er tegelijk voor zorgen dat de productionele slagkracht van het huis bewaard bleef. Internationale succesvoorstellingen en volle zalen zorgden ondertussen voor extra ademruimte. KVS heruitvinden was dus niet enkel een artistieke uitdaging, de boekhouding op orde krijgen was een even grote prioriteit. Indien de overheden KVS vanaf 2017 iets royaler zouden steunen, wat ik vurig hoop, dan kunnen die investeringen integraal naar de artistieke werking gaan. 

Bijzonder blij ben ik ook met de publiekstransformatie sinds 2001. Wie die niet heeft opgemerkt, die zat duidelijk zelden of nooit in onze zalen. Niet alleen hebben we het KVS-publiek in Brussel en erbuiten, zonder gebruik te maken van de gemakkelijkheidsoplossing van abonnementen, verdrievoudigt en in onze beide zalen bezettingsgraden bereikt boven 90 %. Vooral is het publiek van KVS Brusselser, jonger en diverser dan ooit. Meer dan 50% komt uit het Brussels Gewest, meer dan 30% is jonger dan 26 jaar, meer dan 30% is anderstalig: dat is de realiteit van Brussel en ze zit in de zalen van KVS. Niet alleen voor dansvoorstellingen, niet punctueel, maar structureel, het hele jaar lang. Het is mijn overtuiging dat de publiekskwestie in de Vlaamse culturele sector op problematische wijze onderschat wordt. Ze wordt herleid tot een zaak van cijfers en een opdracht van communicatieploegen, of weggezet als onmogelijk op te lossen. In KVS hebben we het Brussels publiek van de toekomst gedacht én concreet bereikt via artistieke strategieën en programmatorische keuzes. Ik ben er sterker van overtuigd dan ooit dat een stadstheater diep verankerd moet zijn in de stedelijke gemeenschap waartoe het behoort. Dat kan enkel door aan die gemeenschap goede redenen tot idenficatie met je cultuurhuis te bieden, wat iets totaal anders is dan een voor-elk-wat-wilsbeleid. Maar het is wel de verantwoordelijkheid van de artistieke leiding, en van niemand anders. Kwaliteit, diversiteit en stedelijk draagvlak : ze sluiten elkaar niet uit. Als we ze in Vlaanderen niet op veel inventievere wijze op elkaar weten te betrekken, dan zullen heel wat culturele instellingen zich in de steden van morgen overbodig maken. 

Wil dat zeggen dat er enkel goed nieuws te melden valt en dat het werk af is ? Zeker niet. Uiteraard was ons traject er een van vallen en opstaan, van trial-and-error. Het delicate evenwicht tussen kunst, cultuur en stad was best weleens zoek. Aan mijn opvolger laat ik ook heel wat unfinished business. In haar culturele realiteit evolueert een stad als Brussel razendsnel en vraagt ze om een voortdurende aanpassing van de artistieke strategieën van een stadstheater die naam waardig. Zonder twijfel moet permanent de vraag gesteld worden wie er nog niet in KVS werkt en naar KVS komt : de diversiteit op het podium en in de zalen is nooit groot genoeg, dat is een onophoudelijk werk van heel lange adem. Daarnaast is het goed dat de vragen die in KVS altijd aan de orde zijn, geregeld nieuwe antwoorden en invullingen krijgen : wat betekent die ‘V’ in KVS nog in een stad met minder dan 10 procent Vlamingen ? Hoe laat je een grote zaal als de Bol draaien, terwijl je toch voldoende ruimte voor artistiek risico, voor jonge artiesten en voor spannend internationaal werk inbouwt ? Hoe kan KVS zijn band met de wereld vernieuwen, maar ook in stand houden vanuit het kosmopolitische Brussel, nu er na 10 jaar intens samenwerken met Congo en Palestina andere klemtonen moeten worden gelegd ? Ik kijk met grote nieuwsgierigheid en openheid uit naar de antwoorden die Michael De Cock en zijn team zullen bedenken. Hoewel ik mij in de toekomst in geen geval als ‘schoonmoeder’ zal bemoeien, ben ik uiteraard fan zolang KVS een genereus en lichtjes baldadig Brussels huis blijft.

Tegelijk is het mijn overtuiging dat Brussel andere en nieuwe culturele projecten nodig heeft dan de traditionele Vlaamse en Franstalige instellingen die het landschap nu onder elkaar verdelen. Net zoals de politieke structuren fundamenteel onaangepast zijn aan de realiteit van Brussel, zo is de culturele lay-out van de stad dat evenzeer. Vanuit Vlaamse of Franstalige huizen bots je, in je dialoog met een stad die uit meer dan 50% bewoners zonder Belgische origines bestaat, uiteindelijk steeds hard tegen een glazen plafond aan. Zelfs met Toernee Capital ontsnap je daar niet aan. Wie echt wil inpluggen op jonge hybride artiesten en praktijken, op nieuwe stedelijke netwerken en wezenlijk gemetisseerde publieken, die heeft in Brussel ook nieuwe structuren, met aangepaste ruimtes en financieringsmodellen nodig. Moet dat een grootschalige, Zomer van Brussel/Europa zijn, of moet er integendeel gedacht worden op kleine schaal, waar Brusselse projecten en constellaties in alle stilte en met volstrekte autonomie kunnen rijpen, ver van de druk om te coproduceren op grote schaal ? Allicht zijn beide urgent. Het meest nog hebben we Brusselse beleidsmakers nodig die eindelijk durven te denken buiten de gecommunautariseerde kaders die de kosmopolitische adem van deze stad verstikken in een provinciaal carcan. Het is echter niet omdat ik KVS verlaat, dat ik ook Brussel de rug toekeer. Voor een echt en ambitieus Brussels cultuurbeleid en de projecten die dat kunnen vormgeven, zal ik mij blijven inzetten. Vanop afstand, maar ook in de stad zelf.

Ikzelf geef de fakkel definitief door, samen met brother in arms Danny Op de Beeck. Met een beetje hartzeer, wat me sterkt in het inzicht dat ik precies op tijd, en niet te laat vertrek. Met enige opluchting, want deze job houdt nooit op, het was een hele intense tocht. Met veel dankbaarheid ook, want ik heb aan KVS ontzettend veel fantastische ontmoetingen, ervaringen en inzichten te danken. En uiteraard met veel enthousiasme over de welkome nieuwe uitdagingen die op mij wachten aan de Middellandse Zee en in het Zuiden. Of het nu is in Marseille, Tunis, Bamako, Kinshasa of Ramallah, altijd zal ik blijven werken vanuit de overtuiging dat de artistieke praktijk een reis moet zijn die ons in staat stelt onszelf bloot te geven en de ander te ontmoeten, in kracht en kwetsbaarheid. Brussel zal niet langer mijn basis zijn, maar het zal altijd een beetje een thuis blijven waaruit ik zeker niet volledig verdwijn. Hopelijk mag ik u allen nog geregeld kruisen, wanneer ik ‘de passage’ ben.

Jan Goossens